donderdag 30 augustus 2012

Natuur Insecten Vlinders Gamma uil




De gamma-uil (Autographa gamma), is een onopvallend bruin uilvlindertje. De vlinder heeft in het midden van de voorvleugel een duidelijke geelwitte gamma, waardoor hij altijd goed te herkennen is. De opening van het gammateken is belangrijk: deze is bij de gamma-uil wijd en trechtervormig; dit onderscheidt hem van de veel op hem lijkende, maar iets bontere Autographa pulchrina, die een smalle V-vormige tekening heeft. De gamma-uil heeft ook de bijnaam Pistooltje, omdat de gammavormige tekening ook de gelijkenis met een pistool heeft.

Ze komen overal voor waar nectarrijke bloemen te vinden zijn. In Nederland en België is de gamma-uil een trekvlinder. De soort is waar te nemen van april tot en met oktober. De vlinders trekken in het voorjaar vanuit het Middellandse Zeegebied naar het noorden en koloniseren Midden- en Noord-Europa. In Nederland kunnen in augustus en september in sommige jaren grote populaties ontstaan. Een deel van de vlinders trekt in september en oktober weer naar het zuiden. De gamma-uil is niet in staat in Nederland te overwinteren, hoewel een enkel geval van overwintering bekend is in verwarmde plantenkassen.

Natuur Insecten Vlinders Kleine Vos




De kleine vos heeft een voorvleugellengte van 22 tot 25 millimeter.

De basiskleur van de bovenkant van de vleugels is oranje. Langs de voorrand van de voorvleugel loopt een band van afwisselend gele en zwarte vlekken, die bij de vleugelpunt wordt afgesloten met een witte vlek. Ook in het middenveld bevinden zich nog een zwarte vlek geflankeerd door een gele vlek en twee zwarte stippen. De vleugelbasis van de achtervleugel is zwartbruin. Bij de voorrand van de vleugel loopt het oranje over in geel. Langs de vleugelranden loopt een rand met aan de binnenkant opvallende blauwe maanvormige vlekjes die zwartomrand zijn. De franje is geblokt. Zowel de voorvleugel als de achtervleugel heeft een meestal onopvallend uitstulpinkje.

De kleurstelling van de kleine vos is vermoedelijk een voorbeeld van aposematische kleuring, die predatoren afschrikt. Onderzoek met het voeren van kleine vossen aan de koolmees heeft laten zien dat deze terughoudend is in het eten van de kleine vos, en deze terughoudendheid is groter bij gevleugelde dan ontvleugelde exemplaren.

woensdag 29 augustus 2012

Natuur Bloemen Zonnebloem




De zonnebloem, welke bloeit van juli tot oktober,  is een cultuurplant, die gemakkelijk in de tuin gekweekt kan worden uit een pit. 

De zonnebloem groeit op elke goed gedraineerde grondsoort.
Het bloemhoofd kan een diameter hebben tot wel 30 cm. Zonnebloemen worden gewoonlijk 1,5 tot 3,5 meter hoog. Er zijn zelfs uitzonderlijke gevallen bekend waarbij de zonnebloem een hoogte van 5 meter wist te bereiken. Ook kan een plant meerdere bloemhoofden voortbrengen. Onvolwassen planten waarvan de bloemknop nog niet geopend is, vertonen heliotropisme: overdag draait de bloemknop op zonnige dagen mee met de zon. 's Nachts keert de bloemknop terug naar de oostelijke stand. Deze dagelijkse beweging wordt bewerkstelligd door ongelijke groei/celstrekking van de bloeistengel. 
Een zonnebloem heeft namelijk geen pulvini (bladkusentjes)! Tegen de tijd dat de bloem zich opent, verstijft de bloeistengel in de oostelijke stand. Daardoor wijzen bloeiende zonnebloemen de hele dag naar het oosten; hun heliotropisme is dan voorbij.

Zonnebloemen komen oorspronkelijk uit Noord- en Zuid-Amerika en zijn gedomesticeerd rond 1000 v. Chr. De Inca’s vereerden de zonnebloemen als beeld van hun zonnegod. In 1530 werd de zonnebloem door Spaanse zeelieden naar Europa gebracht. 


Culinair
Zonnebloemen worden vooral gekweekt voor de zonnebloemolie, die veel gebruikt wordt in de keuken en als basis voor allerlei producten waarin plantaardige olie wordt verwerkt. De olie bevat veel onverzadigde vetzuren en kan omdat deze goed bestand is tegen hitte voor frituren gebruikt worden. Zonnebloemolie bevat linolzuur, hetgeen het cholesterolgehalte in het bloed verlaagt.



De zaden kunnen gepeld of ongepeld, rauw of geroosterd worden gegeten, bijvoorbeeld als tussendoortje. Ontkiemde zaden met een uitloop van maximaal 6 millimeter kunnen worden toegevoegd aan salades of sandwiches. Zaden met een langere uitloop smaken bitter.




zondag 26 augustus 2012

Natuur Insecten Vlinders Klein geaderd Witje - Pieris napi


De voorjaarsgeneratie van het klein geaderd witje heeft opvallende aders, maar de zomervlinders zijn soms moeilijk van het klein koolwitje te onderscheiden.  Het klein geaderd witje behoort tot de familie witjes (pieridae)


De voorvleugellengte van het klein geaderd witje zijn 20-24 mm. De aders op de onderkant van de achtervleugel zijn grijsgroen bestoven. De zwarte vlek in de voorvleugelpunt loopt geleidelijk naar beneden toe en eindigt niet in een rechte lijn. Op de bovenkant van de voorvleugel bevinden zich bij het mannetje één en bij het vrouwtje twee donkergrijze of zwarte vlekken. Het klein geaderd witje heeft veel overeenkomsten met het klein koolwitje en het groot koolwitje.
Het geaderd witje komt vooral op vochtige terreinen zoals moerassen, hooilanden en langs bosranden; ook graslanden, tuinen, parken en heiden voor.



Vanaf begin april-begin juni, en eind juni-september in drie generaties; de tweede en derde generatie overlappen elkaar. In sommige koele en natte jaren vliegt de soort slechts in twee generaties. In zeer warme jaren vliegt er mogelijk een kleine vierde generatie; het kan echter ook zijn dat zo´n late opleving in de vliegtijd wordt veroorzaakt door verschillen in ontwikkelingstijd van rupsen en poppen.
Rups: half mei-begin juli en begin augustus-begin oktober. De soort overwintert als pop, hangend tegen een stam, een steen of iets dergelijks.
(bron: vlindernet)

Natuur Insecten Vlinders Klein Koolwitje - Pieridae


Het klein koolwitje is de algemeenste standvlinder in Nederland, die vrijwel overal het hele jaar door gezien kan worden valt onder de familie witjes (pieridae)

De voorvleugellengte is  21-27 mm. De zwarte vlek op de bovenkant van de voorvleugelpunt loopt langs de vleugelrand niet door tot beneden de zwarte vlek op het midden van de voorvleugel. Bovendien eindigt deze vlek aan de onderkant in een rechte lijn. De aders op de onderkant van de achtervleugel zijn niet grijsgroen bestoven. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft op de voorvleugel twee vlekken; bij het vrouwtje zijn deze vlekken groter en zwarter dan bij het mannetje.



Het klein geaderd witje heeft veel gelijkenissen maar zijn de aders op de onderkant van de achtervleugel grijsgroen bestoven; bovendien loopt de zwarte vlek in de voorvleugelpunt geleidelijk naar beneden toe en eindigt deze niet in een rechte lijn.  
Het klein koolwitje is een zeer algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. De vlinder komt in diverse biotopen, zoals ruigten, tuinen, parken, dijken, houtwallen, bloemrijke graslanden en bos- en akkerranden voor.
De vliegtijd is van begin april-begin juni, half juni-begin september en half juli-half oktober in drie generaties; de tweede en derde generatie overlappen elkaar gedeeltelijk. In zeer gunstige jaren kan zelfs een vierde generatie optreden, die van eind september tot begin november vliegt.
Rups: eind mei-half juli en half augustus-begin oktober. De grotere rupsen eten vooral uit het hart van de koolplant en kunnen daardoor schade veroorzaken. De verpopping vindt plaats onder een natuurlijk of kunstmatig dakje. De soort overwintert als pop.

zondag 19 augustus 2012

Natuur Vogels Fuut 01

Deze fuut hebben we gisteren gespot bij het Lauwersmeer. Druk duikend bezig visjes te vangen, een mooi schouwspel.

In het zomerkleed is de fuut dankzij de halskraag en de verlengde veren op de kop een goed herkenbare soort. In het winterkleed verliest de vogel deze opvallende kenmerken, en is dan minder kleurrijk. De kraag en de kopveren ontbreken bij jonge vogels, terwijl dan over de kop en de hals nog dunne, witte strepen lopen. Het baltsgedrag van futen is erg spectaculair: beide vogels zwemmen met gestrekte hals naar elkaar toe en rijzen met de borsten tegen elkaar op uit het water. De vogels schudden hierbij met de kop en bieden elkaar plantenmateriaal aan. De vogels bouwen vervolgens samen een drijvend nest van planten, meestal op een goed verborgen plaats. Hoewel de jonge vogels al meteen uitstekend kunnen zwemmen, liften de kuikens vaak mee op de rug van één van de ouders, waarbij de jongen ook tijdens het duiken gewoon blijven zitten.

 (bron: vogelvisie)


Natuur Vogels Struisvogel - Struthio camelus



De struisvogel (Struthio camelus) is een Afrikaanse loopvogel, het enige nog levende lid van de familie Struthionidae. Het is de grootste en zwaarste nog levende vogel en de snelste loopvogel ter wereld. De struisvogel is nauw verwant aan andere grote loopvogels, waaronder de nandoes,, de emoes en kasuarissen.

De struisvogel is de grootste en zwaarste hedendaagse vogelsoort. Volwassen mannetjes kunnen tot 2,75 meter hoog en 155 kilogram zwaar worden, maar gemiddeld 1,80 tot 2,10 meter; vrouwtjes zijn iets kleiner en lichter, tot 1,90 meter hoog en 110 kilogram zwaar. De struisvogel heeft krachtige, lange en onbevederde poten. Er zijn aan elke poot twee tenen (de enige vogelsoort met dit aantal), waarvan een grote, sterke met een nagel van 10 cm en een kleinere zonder. De grote teen wordt gebruikt bij het rennen. Struisvogels hebben een relatief kleine kop, maar erg grote ogen. Met een diameter van 50 mm zijn het zelfs de grootste ogen van alle landdieren. De lange, kale nek vertegenwoordigt bijna de 
helft van de lichaamslengte.

Het lijf is bedekt met veren (geen donsveren). Het verenkleed van het mannetje is voor het grootste deel zwart, maar heeft witte vleugeleinden. De staart is in de regel wit tot grijs, maar een ondersoort heeft een kaneelbruine staart. De kop, nek en poten zijn voor het grootste deel ongevederd en grijs tot blauw van kleur. Het vrouwtje en onvolwassen dieren zijn hoofdzakelijk grijsbruin, ook op de licht bevederde kop, nek en poten. De vleugeluiteinden van vrouwtjes zijn vuilwit van kleur.
In de voortplantingstijd verkleuren de nek en de poten van het mannetje. De populaties in Oost- en West-Afrika wordt oranjeroze, terwijl in Zuidelijk Afrika de schenen rood kleuren. Het mannetje van een ondersoort, de Somalische struisvogel, heeft een blauwe nek en poten en een rode streep over de schenen.

zondag 12 augustus 2012

Natuur Vogels Kuifeend




Met hun zwart-witte verenpak en nonchalante kuifje zijn de mannetjes van de kuifeend onmiskenbaar. In tegenstelling tot de wilde eend duiken kuifeenden naar hun voedsel, net als veel andere familieleden van de kuifeend. Het gele oog valt op wanneer u de gelegenheid hebt om een kuifeend van dichtbij te bekijken. Dat laten deze eenden niet graag toe; ze zijn van nature vrij schuw. Het zijn vooral de diepere wateren waarop kuifeenden ronddobberen. Toch moet er nog wel enig licht doordringen tot op de bodem. Kuifeenden eten graag waterdieren welke tussen de waterplanten leven. Ook de planten zelf worden wel
gegeten.

Mannetjes zijn zwart met witte flanken, vrouwtjes overwegend bruin met lichtere flanken. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een kuif, maar deze is bij mannetjes wat langer. De vrij grote kop heeft bij mannetjes daarnaast ook een paarsachtige glans.

dinsdag 7 augustus 2012

Natuur Vogels Zwanen Jonge Knobbelzwanen


Gisteren (8 augustus) even erop uit. Fietsend richting Wierum deze jonge knobbelzwanen gespot. Een eerder artikel over deze zwanen: klik hier .

In tegenstelling tot de volwassen knobbelzwanen ontbreekt bij de jonge vogels de zichtbare knobbel. Het verenkleed is nog bruin en bij volgroeiing kleurt het verenkleed langzaam wit. Rustende jonge zwanen op weg naar volwassenheid.

Natuur Insecten Vlinders Dagpauwoog Inachis io




















De dagpauwoog is één van de bekendste Europese dagvlinders en wordt door menigeen vaak in de tuin op velerlei typen bloemen gezien. Zeer opvallend zijn de oogvlekken op voor- en achtervleugel waardoor deze schoenlapper met geen ander familielid kan worden verwisseld. De onderkant van de vleugels is bijna zwart en enigszins glanzend. De dagpauwoog komt algemeen voor in velerlei biotopen, vooral in verruigde delen van graslanden, grens- en pioniervegetaties, ook veel in de stedelijke gebieden.

Levenswijze
De rups van de dagpauwoog ontwikkelt zich vrijwel uitsluitend op brandnetel (Urtica dioica). Door vermesting van veel gebieden in Noordwest-Europa is de voedselplant sterk toegenomen en daarmee ook de kans dat de brandnetel-etende schoenlappers tegenwoordig bijna overal plekjes vinden om eieren te leggen. De dagpauwoog kan ver uiteenliggende plaatsen benutten om zich voort te planten.

zondag 5 augustus 2012

Koeien in een energie zuinige omgeving

Deze zwart wit bonte koeien lessen de dorst op een door zonne-energie gedreven waterpomp en drinken zo mogelijk de subsidiepot leeg. Zonne-panelen winnen steeds meer terrein en niet alleen voor energie zuinige woningen. Of de agrarische sector ook in aanmerking komt voor subsidie is onbekend. De agrarische sector maakt dankbaar gebruik van de innovaties en dat is alleen maar toe te juichen.

De opname's zijn genomen nabij Harsens  richting Adorp