zondag 17 juni 2012

Natuur Dieren Herten Damhert

natuur-dieren-damhert
natuur-dieren-damhert

Het damhert (Dama dama) is een soort hert. Tussen de ijstijden leefden de damherten onder andere tot  West-Europa, maar de laatste ijstijd heeft de dieren naar Klein-AziĆ« verdreven. De Romeinen brachten de soort weer met zich mee en verspreidden het dier door het gehele Romeinse Rijk. Tegenwoordig komt het op alle continenten behalve Antarctica voor. Het damhert is de soort die het vaakst gehouden wordt in hertenkampen. 

Uiterlijk
Het damhert is groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De kop-romplenge is 130 tot 170 centimeter en de schouderhoogte  85 tot 110 centimeter. Het damhert kan 45 tot 100 kilogram zwaar worden, bij hoge uitzondering tot 130 kilogram. De staart is vrij lang: 16 tot 19 centimeter.
Het mannetje (hertenbok of schoffelaar genaamd - aan schaufler, Duits-jargersjargon, ontleend -, naar de vorm van het gewei van volwassen dieren) wordt over het algemeen zwaarder dan het vrouwtje (hinde genaamd).

Kleur
Er zijn veel variaties in kleur, van wit via lichtbruin tot bijna zwart
, maar meestal is de rugzijde roodachtig geel tot kastanjebruin van kleur en de buikzijde geelwit. De dominante kleur verschilt echter per gebied. In de winter is de vachtkleur grijzer. Het damhert ruit twee keer per jaar, een keer in mei of juni en een tweede keer in september of oktober. De vacht is meestal bezaaid met witte vlekjes, deze zijn in de winter minder opvallend. Bepaalde kleurpatronen, bijvoorbeeld geheel witte dieren, hebben geen vlekken. Bij zwarte dieren zijn de vlekjes eerder bruinzwart van kleur, lichter dan de rest van de vacht. De romp heeft een patroon van zwart en wit en een zwarte streep, die doorloopt tot de bovenkant van de staart. Deze zwarte streep ontbreekt bij geheel witte en geheel zwarte dieren.

Gewei
Een opvallend kenmerk, waarmee het zich onderscheidt van andere echte herten, is het schoffelgewei.
Hierbij zijn de einden van de takken met elkaar verbonden door platen. Enkel het mannetje draagt een gewei. Het wordt in april en mei afgeworpen, waarna het gelijk weer begint aan te groeien. De basthuid wordt in augustus en september afgeschuurd. Het gewei groeit naarmate het dier ouder wordt. Bejaarde mannetjes hebben weer kleinere geweien.

natuur-dieren-damhert
Herkenning
Het damhert is makkelijk te verwarren met het eveneens gevlekte sikahert, maar de laatste heeft een vertakt gewei en is kleiner. Damherten zijn verder te herkennen aan een opvallend bosje haren bij de penisschede (voor mannetjes) of onder de vulva (bij vrouwtjes).

Voedsel en leefwijze
Het damhert voedt zich voornamelijk met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge bladeren, bessen (rozenbotel, braam, bosbes, eikels, granen, wortelen en 's winters schors, hulst en heide. Aan de rand van het Teutoburgerwoud kan men ze in de zomeravonden dagelijks in appelboomgaarden treffen om de (bijna) rijpe appel van de bomen te "stelen".
Het zijn dagdieren. In verstoorde gebieden zijn ze echter meer schemeringsdieren. Oudere mannetjes hebben de neiging vooral 's nachts te leven. Het damhert is een goede zwemmer.

Sociaal gedrag
Damherten leven in gescheiden roedels. Na de paartijd leven de volwassen mannetjes in aparte vrijgezellengroepjes, terwijl de vrouwtjes (hinden) met hun nakomelingen van dit en voorgaande jaar in groepjes van vijf tot zeven dieren leven. Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje. Jonge mannetjes blijven meestal bij zo'n groep tot ze twintig maanden oud zijn, waarna ze trekken naar de vrijgezellengroepjes. Op open voedselrijke gronden kunnen de roedels zich samenvoegen tot groepen van tot wel tachtig dieren. In sommige (meestal meer open) gebieden komen het gehele jaar door gemengde roedels voor. Het damhert is buiten de bronsttijd niet territoriaal, en de woongebieden overlappen vaak. Het woongebied van de mannetjes is vaak groter dan dat van de hinden.

natuur-dieren-damhert
Voortplanting en levensverwachting
De bronsttijd valt in de tweede helft van oktober en duurt tot begin november. Tijdens de aanloop naar de bronsttijd gaan de mannetjes gevechten aan voor een territorium. Meestal bestaat dit uit schijngevechten, maar echte gevechten komen voor. Er vallen echter zelden doden. Het veroverde territorium dient als strijdperk, "lek" genaamd, en ligt in ongeveer hetzelfde gebied als de voorgaande jaren. Met de hoeven krabt hij een ondiepe kuil in de grond, die hij besproeit met urine. Het territorium wordt gemarkeerd door langs de bomen te schuren. Met luide brullen lokt de hertenbok hindes.

(bron: wikipedia)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen